Wie is Bahá'u'lláh?       Dates    Scripture
English

Bahá'u'lláh is de grondlegger van het bahá'í-geloof. Hij werd geboren op 12 november 1817 als Mirza Husayn-'Ali in een adellijke familie in Iran. Zijn naam Bahá'u'lláh betekent "Heerlijkheid van God" in het Arabisch. Bahá'ís geloven dat Hij de boodschapper (manifestatie) van God is voor deze tijd, voorspeld in de voorgaande religies.

Bahá'u'lláh openbaarde in Zijn leven meer dan honderd werken. Hij legde de basis voor een nieuwe wereldorde die gebaseerd is op de eenheid [en gelijkwaardigheid] der mensheid. Daarnaast schreef Hij mystieke werken en zette Hij de geestelijke en sociale wetten uiteen van deze nieuwe religie.

Voortschrijdende openbaring
Het uitgangspunt van het bahá'í-geloof is dat alle religies afkomstig zijn uit dezelfde bron. Het is die ene God die in verschillende tijden Adam, Abraham, Mozes, Zarathustra, Krishna, Boeddha, Jezus, Mohammed, de Báb en Bahá'u'lláh als geestelijke leraren naar de mensheid heeft gezonden om harmonie en eenheid onder de mensen te brengen.

Met de komst van elke profeet breekt een nieuwe lentetijd aan. Het is een tijd van herleving van geestelijke principes die in de loop der tijd in verval geraakt zijn. Daarnaast brengt elke religie nieuwe leringen die voor die specifieke tijd bestemd zijn. Voor dit tijdperk is dat de eenheid der mensheid.

Geschiedenis
In de 19e eeuw verschenen kort na elkaar in Perzië (Iran), twee nieuwe manifestaties (profeten) van God, de Báb en Báhá'u'lláh.

Het Huis van de Báb, in Shiraz,
dat in 1979 is verwoest.

In mei 1844 verkondigde een jonge handelsman en directe afstammeling van de profeet Mohammed, de Báb, dat Hij de voorloper was van een nog grotere manifestatie (profeet) van God. De Báb werd vanwege Zijn religieuze boodschap door de
Perzische autoriteiten gevangen genomen en in juli 1850 geëxecuteerd.

Veel bábí's werden in die tijd gevangen genomen. Onder hen was Mirza Husayn-'Ali. Hij had van de Báb als titel de naam Bahá'u'lláh (Heerlijkheid van God) gekregen. Na enkele maanden gevangenschap werd Báhá'u'lláh verbannen naar Bagdad (Irak).

In 1863, aan de vooravond van Zijn verdere verbanning naar Constantinopel en Adrianopel (Turkije) verkondigde Hij wie Hij was: de boodscaper die de Báb had aangekondigd en die in alle religies was voorspeld.

De meeste bábí's (volgelingen van de Báb) erkenden Báhá'u'lláh en werden bekend als bahá'ís (volgelingen van Bahá'u'lláh).

Vanuit Adrianopel werd Bahá'u'lláh voor de laatste keer verbannen naar Akká, een gevangenisstad in Palestina (het huidige Israël). Aan het eind van Zijn leven kreeg Bahá'u'lláh wat meer vrijheid. In 1892 stierf Bahá'u'lláh.
Veertig jaar van lijden en onderdrukking kenmerkte het leven van deze profeet die geen ander oogmerk had dan de mensheid een nieuwe impuls te geven voor haar geestelijke evolutie.


Gevangenis in Akka waar Bahá'u'lláh gevangene was.

Huis in Bahji waar Bahá'u'lláh Zijn laatste jaar doorbracht.

Voordat Bahá'u'lláh stierf, wees Hij Zijn oudste zoon `Abdu'l-Bahá aan als enige uitlegger van Zijn geschriften (waaraan autoriteit kan worden gehecht) en als het volmaakte voorbeeld voor de gelovigen.


Er is een meer getaileerde biografie van Bahá'u'lláh in het engels op: bahai-library.org/published.uhj/
statement.bahaullah/


zie ook korte feiten op deze site

`Abdu'l-Bahá,
zoon van Bahá'u'lláh.


Ontmoeting met Bahá'u'lláh

"Precies twee jaar voor Zijn dood ontving Bahá'u'lláh in Bahji een van de weinige westerlingen die Hem zouden ontmoeten en de enige die een geschreven verslag van zijn ervaring nagelaten heeft. Zijn bezoeker was Edward Granville Browne, een aankomende jonge oriëntalist van de Universiteit van Cambridge, wiens aandacht aanvankelijk was getrokken door de dramatische geschiedenis van de Báb en Zijn heldhaftige groep volgelingen. Over zijn ontmoeting met Bahá'u'lláh schreef Browne:
"Hoewel ik vaag vermoedde waar ik heen ging en wie ik zou ontmoeten (men had mij geen nadere aanduidingen gegeven), verliepen er een of twee seconden eer ik mij er plotseling met een gevoel van verbazing en ontzag van bewust werd, dat ik niet alleen was in de kamer. In de hoek, waar de divan tegen de muur aansloot, zat een wonderbaarlijke en eerbiedwaardige figuur... Het gelaat van Hem op Wie mijn blik viel, zal ik nooit vergeten, ofschoon ik het niet kan beschrijven. De doordringende ogen leken diep in iemands ziel te lezen; macht en autoriteit spraken uit dat hoge voorhoofd... Onnodig te vragen in Wiens tegenwoordigheid ik mij bevond, terwijl ik diep boog voor Hem, die het voorwerp is van een toewijding en liefde die koningen Hem zouden benijden en waar keizers vergeefs naar verlangen! Een zachte, waardige stem verzocht mij plaats te nemen en vervolgde:
"Geprezen zij God, dat gij gekomen zijt! ...Gij zijt hier gekomen om een gevangene en banneling te bezoeken... Wij wensen slechts het welzijn der wereld en het geluk der volkeren, toch houdt men Ons voor een onruststoker en oproerkraaier, die het verdient gekneveld en verbannen te worden... Dat alle volkeren één worden in geloof en alle mensen als broeders, dat de banden van liefde en eenheid onder de mensen verstevigd worden, dat verscheidenheid van godsdienst ophoudt te bestaan, alle onenigheid tussen de rassen teniet wordt gedaan: welk kwaad schuilt daarin? ... Toch zal dit eenmaal geschieden; dit vruchteloos strijden, deze vernietigende oorlogen zullen voorbijgaan en de "Allergrootste Vrede" zal komen..." "

- Bahá'í International Community (1992) Bahá'u'lláh: een verklaring van de Bahá'í International Community. Den Haag, Stichting Bahá'í Literatuur.

Links:
Wat feiten (engels)
Geschriften van Bahá'u'lláh (engels)
Kart van Iran (engels)